Aandachtspunten voor valbeveiliging in de praktijk:

1. Zijn de gebruikers geïnstrueerd in het correct en veilig gebruik van de middelen.

2. Zijn de middelen op basis van een RI&E gekozen. Eventueel een TRA.

3. Zijn de bevestigingspunten (ankerpunten) geschikt voor een valopvang.

4. Bestaat er bij een val risico op een pendelbeweging en zo ja wat zijn de risico’s daarvan.

5. Bestaat er bij een val risico op doorsnijden van de lijnen/banden of kabels op scherpe/rafelige randen. Indien dit risico aanwezig is dienen er speciaal voor dergelijke toepassingen EC-Type gekeurde middelen te worden ingezet. En ook dan is het nog goed uitkijken!

6. Is er na valopvang nog voldoende ruimte onder de opgevangen persoon boven een onderliggend opstakel. (Altijd de benodigde vrije ruimte bepalen onder ankerpunt op basis van o.a. lengte vanglijn, uitscheur lengte valdemper (remafstand valstopapparaat), lengte man).

7. Is de keuringstermijn nog geldig. (afhankelijk van intensiteit gebruik, tenminste 1 x per 12 maanden te keuren door ter zake kundig persoon).

8. Weet de drager dat hij voor elke gebruik de deugdelijkheid van zijn materiaal moet controleren. Heeft hij daar training in gehad?

9. Is er een registratie systeem valbeveiligingsmiddelen aanwezig.

10. Zijn serienummer en productiedatum nog aanwezig. Zo niet hoe dan ook afkeur.

11. Verf op de gordel, brandgaten lasspatten, gaatjes, loszittende garen in weefsels, gerafelde zijden van de banden, verharde plekken of banden of lijnen (bv door chemicaliën), vervorming bandmateriaal door bv hitte, losse stiksels, gecorrodeerde / vervormde sluitingen e.d. zijn in principe afkeuringcriteria bij gordels en lijnen.

12. Er zijn dempers, valstop apparaten en harnassen in de handel met valindicatoren. Als deze aangesproken zijn mogen betreffende middelen niet meer gebruikt worden.

13. Vanglijnen mogen inclusief hun haken en (niet aangesproken) valdemper maximaal 2 meter lang zijn. Vanglijnen mogen nooit worden verlengd. Dit kan zeer ernstige gevolgen bij een val hebben.  

14. De meeste valstop apparaten werken slechts als vertikaal worden aangesproken. Werken dus niet of onbetrouwbaar als ze plat op bijvoorbeeld daken of vloeren worden toegepast. Hiervoor zijn alleen speciaal ontworpen toestellen geschikt.

15. Hoe worden de middelen gereinigd, onderhouden en opgeborgen?


Valbeveiliging voor werken in het verticale vlak

Deze valbeveiliging bestaat uit een harnasgordel in combinatie met vanglijn en valdemper.

Wanneer:
Geschikt voor situaties waarin verticale bewegingsvrijheid nodig is.

Gebruik:
De harnasgordel wordt bevestigd aan een vast punt door middel van een vanglijn van 2,0 meter met een musketon- of andere haak. Dit vaste punt mag ook een valstopapparaat zijn. In dit laatste geval wordt de gordel zonder vanglijn direct aan het apparaat bevestigd.

Let op:
De vanglijn aan de gordel mag niet langer zijn dan 2,0 meter. Om de val(energie) op te vangen, zijn gordels met valdempers verplicht. Deze valdempers kunnen in de lijn zelf of in de musketonhaak zijn opgenomen. In geval van een val, moet het slachtoffer zo snel mogelijk (binnen 15 minuten) worden bevrijd uit zijn gordel.
De BHV-organisatie moet op deze vorm van hulpverlening zijn ingesteld. Na een val moet het harnas worden vernietigd en valstopapparaten moeten worden gecontroleerd door de leverancier. Er moet aandacht zijn voor de pendulewerking bij het inrichten van de werkplek. Het is wenselijk de gebruiker van de gordel speciale instructie en voorlichting te geven.

Voordeel:
Bij een harnasgordel in combinatie met een vanglijn en valdemper wordt de klap opgevangen door het hele lichaam.

Nadeel:
Speciale slachtofferhulp na een val is noodzakelijk. Beperkte bewegingsvrijheid.


Aandachtspunten bij aanschaf bij de harnasgordel:

De valkracht moet worden opgenomen door de zitband.

Er moet een verstevigde heupband aan zitten.

De houders voor het veilig meedragen van gereedschapstassen moeten aan de achterzijde zijn aangebracht.

Het materiaal moet van UV-gestabiliseerd nylon zijn.

De gordel moet voorzien zijn van CE-markering.

Maand en datum moeten op de gordel staan aangegeven.


Aandachtspunten bij aanschaf bij klim- en loopwegbeveiligingsmiddelen:

Klim- en daalbewegingen moeten mogelijk zijn.

Lijnklemmen zijn met veiligheidslijnen aangebracht.

Er moet onbediend mee naar boven en naar beneden kunnen worden gegaan, door het indrukken van een pal om de klem te ontspannen.

Er is een afneembare lijnklem aanwezig wanneer de klimweg onderbroken wordt.

De loper kan ongestoord de kabelophangpunten passeren.


Valbeveiliging voor werken in het horizontale vlak

Deze valbeveiliging bestaat uit een harnasgordel in combinatie met vanglijn en valdemper.

Wanneer:
Geschikt voor situaties waarin horizontale bewegingsvrijheid nodig is.

Gebruik:
Er wordt een veiligheidslijn gespannen. Bij horizontale bewegingsvrijheid moeten er meerdere vaste punten aanwezig zijn om de veiligheidslijn voldoende strak te kunnen zetten.

Let op:
Na een val moet het harnas worden vernietigd. De vanglijn aan de gordel mag niet langer zijn dan 2,0 meter.
De BHV-organisatie moet zijn afgestemd op deze vorm van slachtofferhulp. Pendulewerking bij val van horizontaal vlak. Kwaliteit van ankerpunt of lijn moet goed zijn. Valhoogte moet groter zijn dan 4 m.

Voordeel:
Bij een harnasgordel in combinatie met een vanglijn en valdemper wordt de klap opgevangen door het hele lichaam.


Nadeel:
Het verplaatsen langs een horizontale lijn heeft als nadeel dat bij de steunpunten de gordel af- en dan weer aangehaakt moet worden. Er zijn systemen in de handel die dit nadeel niet meer hebben. Beperkte bewegingsvrijheid.